De schoenendoos nalatenschap van Klaas van Wijngaarden

Kortgeleden heb ik een schoenendoos met brieven, foto’s, documenten, aantekeningen en wat dies meer zij van mijn in 1990 overleden vader (Klaas van Wijngaarden) uitgezocht.  Dat er in slechts één schoenendoos zo veel nalatenschap zat had ik van  te voren niet gedacht. Het verhaal over vroeger (ik bedoel voor 1952) dat er bij hoort heb ik van hemzelf soms aangevuld met feiten en anekdotes van familie. Over de periode daarna was ik er soms zelf bij. Wel in het besef dat details en feiten inmiddels in mijn geheugen vervaagd kunnen zijn. Ik heb mijn best gedaan om er geen fictie van te maken.
Het verhaal dat ontstond verdeel ik in twee periodes. Dit eerste was de periode 1910 tot 1952 met daarin zijn KNIL jaren vanaf 1928.

1910 – 1952

Mijn grootvader (Cornelis van Wijngaarden) repatrieerde in 1910 met zijn gezin terug naar Nederland omdat de emigratie naar Brazilië op een drama was uitgelopen. Mijn vader, geboren in João Pinheiro, was 6 maanden toen ze uit Brazilië terug kwamen. Ze  woonden eerst een paar maanden in Giessendam – het geboortedorp van Cornelis – en verhuisden naar Sliedrecht. Daar werd zijn zus Suzanna geboren (*1912). Vervolgens verhuisden ze naar Wageningen waar in 1916 zijn jongste zus Maria geboren werd.

Het gezin van mijn grootvader in 1916:

  • Cornelis van Wijngaarden (*1868 Giessendam – †1955 Wageningen) & Henriqueta Roselu Rafeni ( *1877 Aruba – †1922 Wageningen)
    • Juliana Luciana van W (*1898 Aruba – †1976 Arnhem)
    • Johanna Cornelia van W (*1905 Curaçao – †1996 Wageningen)
    • Jacobus van W (*1908 Sliedrecht – †1997 Gemert)
    • Nicolaas Lourens van W (*1910 João Pinheiro, Minas Gerais, Brazilië – †1990 Wageningen). Mijn vader had twee roepnamen: Klaas of Nico. 
    • Suzanne Rosalia van W (*1912 Sliedrecht – †1938 Utrecht)
    • Maria van W (*1916 Wageningen – †2008 Veghel)

In 1922 overleed zijn moeder (mijn oma) op 45 jarige leeftijd. Ze woonden in Wageningen op de Julianastraat 21. Mijn vader zat nog op de lagere school (De Walschool in het Plantsoen). Na de lagere school ging hij werken en had diverse baantjes. Onder andere bij een melkhandelaar. In 1926 begon hij bij de in dat jaar nieuw gestarte firma Woudenberg, de bekende Wageningse slijterij / drankenhandel.

De Walschool in het Plantsoen Wageningen 1922 – Klaas 5e van links (onder het meisje met de geruite jurk)- links schoolhoofd meester Buys – rechts meester Hendriks

Mijn grootvader maakte zich mede door de crisis bezorgd over de toekomst van zijn twee zoons (mijn vader en Koos). Hij vond dat er een betere toekomst voor ze was als KNIL militair in Nederlands Indië en stuurde er op aan dat ze daar naar toe gingen.

Medio 1928 verbond hij zich, tegelijk met Koos, aan het KNIL. Gezien de omstandigheden waarin het gezin toen leefde ging een deel van de uitzendingspremie van fl. 400,- per persoon naar mijn grootvader.

m.s. Christiaan Huygens september 1928 – rechts Klaas van Wijngaarden

De verbintenis met het KNIL werd eerst aangegaan voor 5 jaar. Na zijn opleiding in het KNIL opleidingscentrum Prins Hendrik kazerne in Nijmegen was hij “geschikt voor uitzending” en vertrok op 11 september 1928 met het “m.s. Christiaan Huygens” vanuit Amsterdam naar Batavia. Op 12 oktober 1928 kwam hij daar aan. Hij was gelegerd in het Infanterie garnizoen in Magelang (Midden Java).

Hij leerde de inlandse Augustina Partini (*22 mei 1918, Koetoardjo) kennen. Het gebeurde vaak dat bij eerste kennismakingen tussen KNIL militairen en inlandse vrouwen de dominee of pastoor uit Magelang een rol speelde. De naam van de dominee in kwestie kan ik me helaas niet herinneren.

In 1935 trouwden ze in Magelang op de dag dat Augustina 17 werd. Ze woonden aan de rand van het garnizoenscomplex. Het was gebruikelijk dat getrouwde KNIL militairen dichtbij of op het kazerneterrein woonruimte hadden.

Magelang 22 mei 1935 – huwelijk Klaas van Wijngaarden & Augustina Partini

Op 19 juni 1935 ging hij met het “s.s. Slamat” voor groot verlof naar Nederland en kwam op 16 juli 1935 in Rotterdam aan. Op 11 december 1935 ging hij na afloop van het verlof vanuit Amsterdam met het “m.s. Johan van Oldebarnevelt” terug en kwam op 9 januari 1936 aan in Nederlands Indië.

Augustina & Cornelis  – Magelang, maart 1936

Toen hij in Nederland was werd op 30 oktober 1935 in het Militair Hospitaal van Poerworedjo zijn zoon Cornelis (mijn halfbroer) geboren.

Maria emigreerde eind 1938 ook naar Ned. Indië. Zij was in september 1938 vanuit Nederland getrouwd met KNIL militair Ben van Loon die eveneens in het garnizoen Magelang gelegerd was. Maria, Koos en mijn vader woonden in Magelang dicht bij elkaar en trokken veel met elkaar op. Tot het uitbreken van WO II en de inval en bezetting van de jappen hadden ze er een mooie tijd.

Klaas in Magelang (Midden Java)

Met de japanse bezetting in maart 1942 en zijn krijgsgevangenschap kwam hier een einde aan en veranderde hun leven in een drama.

Mijn vader deelde zijn KNIL tijd in twee periodes. De eerste waren de mooie jaren 1928 – 1940. Hij had bij het KNIL zijn draai gevonden. In tegenstelling tot de meesten soldaten in zijn omgeving leerde hij graag maleis. Hij had er lol in en kon het goed spreken, schrijven en lezen. Hij ging graag naar de militaire instructieschool in Magelang, haalde er goede cijfers en zag het als een kans om als lagere schooljongen naar de militaire kaderschool te kunnen. Het liep anders. Ondanks de goede schoolresultaten werd hij niet geselecteerd. Hoger geplaatste militairen maakten graag van zijn kennis gebruik maar besefte achteraf dat zijn volgzame houding ook misbruikt werd en nadelig was.

De tweede periode was van 1940 – 1948. WO II, de japanse bezetting, de jappenkampen van 1942- 1945 en direct aansluitend de Bersiap met de onafhankelijkheidsstrijd (de dekolonisatie) van Indonesië.

Een paar maanden na zijn bevrijding op 31 oktober 1945 werd hij begin 1946 als KNIL militair bij de Motor Transport Dienst (MTD) in Bandoeng geplaatst. KNIL militairen die net waren bevrijd uit de jappenkampen werden door de Nederlandse regering ingezet tegen de onafhankelijkheidsstrijd. De taken waren vooral politioneel. Zijn huisvesting in Bandoeng was in 1946 op drie verschillende adressen; de jaarbeurs barak I, Ambonstraat 3 en eind van dat jaar het Oosteinde 56.

De Nederlandse regering had Ned. Indië in 1945 zonder slag of stoot weggegeven. De daarna gevoerde strijd was zinloos. Het zwakke optreden van Nederland in de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië (die in 1949 eindigde in de definitieve onafhankelijkheid) eiste veel onnodige slachtoffers. Met de Bersiap en de onafhankelijkheidsstrijd duurde de oorlog in zijn beleving 8 jaar, van 1940 tot aan zijn repatriëring in 1948.

In januari 1948 repatrieerde hij terug naar Nederland. Hij moest onmiddellijk worden opgenomen in een  psychiatrische inrichting in Venray waar hij een half jaar verpleegd werd. Zijn toestand werd door defensie omschreven als: Wegens de oorlogsomstandigheden waaraan hij was blootgesteld in Indonesië had zijn geestesvermogen een ernstige knak gekregen. Zijn militair stamboek vermeld: naar Nederland wegens ziekteverlof. Hij was geestelijk en lichamelijk gebroken. Getraumatiseerd en psychisch zwaar beschadigd door alle meegemaakte ellende van 1942 tot 1948. Begin 1950 was hij volgens defensie voldoende hersteld en werd  “beter” verklaard. Wonderbaarlijk was dat een medische commissie van Defensie al maanden van te voren de einddatum van het ziekteverlof bepaalde.
Tot aan zijn overlijden was de psychische schade altijd aanwezig en merkbaar. Het heeft hem zijn hele leven achtervolgd.

In februari 1950 werd hij na bijna 22 jaar eervol ontslagen uit de militaire dienst. In maart 1950 kwam het Ministerieel Besluit: ” wegens afkeuring door een lichaamsgebrek NIET ONTSTAAN in en door de militaire dienst eervol ontslagen”.
Dat deze reden door defensie werd aangevoerd om hem eervol te ontslaan, de regering van eventuele schadeclaims te vrijwaren en op deze manier zijn militaire status af te nemen vond hij extra pijnlijk. De haast die defensie maakte om hem eerst beter te verklaren en zes weken later eervol te ontslaan liet een nare smaak achter. Mijn vader ervoer het als een sluwe aanpak met de vooropgezette bedoeling dat Nederland geen verantwoordelijkheid nam voor de periode 1942 – 1949. Hij voelde zich door de regering in de steek gelaten (en was daarmee waarschijnlijk niet de enige KNIL soldaat). Met de opheffing van het KNIL in 1950 zou het het liefst als militair zijn ingestroomd in het Nederlandse leger. Door zijn afkeuring bleek dit onmogelijk.

Het afwijzen, weglopen en wegkijken voor verantwoordelijkheid en angst de portemonnee te moeten trekken voor slachtoffers en nabestaanden is door alle Nederlandse regeringen vanaf 1945 tot de dag van vandaag helaas de normale gang van zaken geweest.

Markant in het afstandelijke en gevoelloze gedrag van de overheid was een schriftelijk verzoek van de beheerder van het KNIL Verstrekkingsmagazijn om het ministerie beleefd in overweging te geven – 1 overjas en 1 baret –  die buiten zijn schuld was zoek geraakt in het psychiatrisch ziekenhuis Venray, ten nadele van de Staat af te schrijven en niet aan hem financieel door te belasten.

Na Venray had hij niet meteen woonruimte. Woonruimte was kort na de oorlog  schaars. Gezinnen kreeg voorrang. Ook pas getrouwden woonden vaak eerst soms lange tijd bij hun ouders, bij familie of ergens in voordat ze een huis kregen toegewezen. Hij mocht inwonen bij zijn oudere zus Jo (tante Jo) die getrouwd was met Hendrikus (ome Henne) van de Weerd. Zij woonden aan de Vanenburgstraat in Wageningen.

Het KNIL was verleden tijd geworden. Met zijn vrouw Augustina en zoon Cornelis had hij vanaf 8 maart 1942 toen hij krijgsgevangene geen contact meer gehad. Ze waren elkaar door de oorlogsomstandigheden uit het oog verloren. Mijn vader en zij wisten na de bevrijding niet van elkaar of de ander nog leefde. Na de oorlog heeft hij diverse instanties gevraagd te helpen bij de opsporing. Helaas toen zonder resultaat. Hij bleef dus in de onzekerheid of ze nog leefden.

Kort na de repatriëring kreeg hij bericht dat Augustina in leven was. (Cornelis werd nog steeds vermist). Hij legde contact met haar en wilde dat ze definitief naar Nederland kwam. Augustina vreesde niet te kunnen aarden in Nederland. Ze zou zich er nooit thuis voelen en mijn vader wilde niet terug naar Indonesië. Daarom besloten ze begin 1951 uit elkaar te gaan. Advocaat en procureur Mr. Schadd in Arnhem had de scheidingszaak in behandeling genomen. Op 9 augustus 1951 werd door de arrondissementsrechtbank Arnhem de echtscheiding uitgesproken.

Klaas & en Maria Schoester – huwelijk 6 december 1951 Wageningen

Ondertussen had hij mijn moeder – Maria (Marie) Johanna Schoester –  leren kennen. Zij verloofden zich in juli 1951 en trouwden op 6 december 1951 in Wageningen. Een paar maanden voor hun trouwen zochten ze woonruimte in en buiten Wageningen. Ze informeerden ook naar woonruimte in Siddeburen (Groningen). Daar woonden veel repatrianten uit Ned. Indië.
Zijn broer Koos zou daar dan ook met zijn gezin naar toe willen. Zij waren in oktober 1949 vanuit Indonesië in Wageningen terecht gekomen en verhuisden in oktober 1950 naar Westerbork. Siddeburen ging niet door. Marie en Klaas vonden woonruimte in Bennekom aan de Krommesteeg 4. 

Na de eerste mooie jaren in Ned. Indië en daarna het leed vanaf 1940, jappenkamp 1942 – 1945, Bersiap, onafhankelijkheidsstrijd, repatriëring, langdurige traumabehandelingen in Venray, en het einde van zijn KNIL tijd, scheiding van Augustina en de start van de zoektocht naar Cornelis hoopte hij eind 1951 in Nederland met mij moeder Marie op een nieuwe toekomst. Een paar maanden later liep het dramatisch anders.

Link naar het album van Klaas van Wijngaarden

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s