De immigratie in Brazilië van Cornelis (Cees) van Wijngaarden (2)

In mijn eerste bericht over de immigratie in Brazilië van mijn grootvader (Cornelis van Wijngaarden) beschreef ik de “ontdekking” dat hij in 1909 met zijn gezin emigreerde.

De Braziliaanse regering had in 1907 besloten actief propaganda te voeren voor het aantrekken van emigranten uit Europa. Ook in Nederland werd propaganda gevoerd.  Het aanbod van de Braziliaanse regering was aanlokkelijk. Het emigratiesucces werd mede bevorderd door het feit dat in 1908 de kersverse Koninklijke Hollandse Lloyd direct startte met een rechtstreekse passagiersverbinding vanuit Amsterdam op Zuid-Amerika. In 1909 emigreerden 1036 Nederlanders naar Brazilië.

Brazilië had vooral behoefte aan agrarische immigranten die bereid waren in de overheidskolonies bospercelen te ontginnen tot agrarische grond, geschikt voor landbouw en veeteelt. Het merendeel van de landverhuizers was afkomstig uit Zuid-Holland. Hieronder bevonden zich veel bootwerkers die waren ontslagen tijdens grote stakingen in 1907 in de Rotterdamse haven. Ik weet niet of mijn opa ook in de Rotterdamse haven werkte en misschien ontslagen was. Hoewel ze in de immigratie-contracten die zij tekenden opgaven landbouwer te zijn, ging dit slechts op voor een kleine minderheid. Hij was voor zover ik weet evenmin agrariër. Het staat echter wel ingevuld op de passagierslijst.
Het lijkt er op dat voor mijn opa – net als bij veel kolonisten – het avontuur en vooral de hoop op een betere toekomst de voornaamste drijfveer was om uit Nederland te vertrekken.

Uit de informatie die ik heb verzameld kreeg ik een beeld van de situatie van waaruit Hollanders vanaf 1908 naar Brazilië emigreerden. Het hielp mij de emigratiegolf en de aantrekkingskracht van Brazilië in met name 1908 – 1909 tot 1914 beter te begrijpen.

De reis van Nederland naar Brazilië

Uit de passagierslijsten van het stoomschip de Frisia bleek dat de gebroeders Jan en Leendert Verschoor tegelijkertijd met mijn opa op ditzelfde schip zaten. Leendert Verschoor heeft van de reis een dagboek bijgehouden.
In het dagboek staat dat ze op 29 september 1909 in Amsterdam inscheepten op de “Frisia”. Op 19 oktober 1909 kwamen zij in de haven van Rio de Janeiro aan. De reis naar Rio duurde dus 3 weken.
Route van ss Frisia - 1909
Aan de hand van het dagboek heb ik me proberen voor te stellen wat mijn grootvader tijdens de reis heeft gezien en meegemaakt.
In 1909 woonde mijn opa in Sliedrecht evenals Jan en Leendert Verschoor. Mijn opa liet zich op 28 september 1909 uitschrijven. Ze reisden per trein naar Amsterdam om daar in te schepen op de “Frisia”. Misschien kenden de families elkaar al vanuit Sliedrecht. Er waren 78 Nederlandse emigranten aan boord verdeeld over circa 10-12 gezinnen. De passagierslijsten zijn soms zo slecht leesbaar dat ik niet op elke pagina de gezinsgrootte heb kunnen ontcijferen. Mijn oma, Henriquete Roselu Rafeni, was bij vertrek 10 weken in verwachting; (geboortedatum van mijn vader: 22 april 1910).

DAGBOEK VAN LEENDERT VERSCHOOR*

* (overgenomen uit: De Hollandse immigratie van 1908-1909 in Brazilië, Ruth & Willem Kiewiet, pagina 72 e.v.)

Het dagboek van de emigrant Leendert Verschoor over zijn reis in 1909 van Nederland naar de kolonie Gonçalves Júnior werd pas in 1926 in het krantje van de “Christelijke Onderwijzer” in Nederland gepubliceerd. Dit verhaal geeft een idee over de moeilijkheden van alle immigranten die Brazilië in die tijd binnenkwamen.

De titel was:  HOLLANDERS IN BRAZILIË

 De emigratie van Hollanders naar Brazilië was het grootst in de jaren 1908 en 1909. In alle hoeken van het land maakten mensen zich gereed om als landbouwer naar Brazilië te gaan. Ook in dit opzicht had reclame haar doel niet gemist. Wat werd al niet aangeboden aan allen die een nieuw vaderland zochten:
1. Vrije reis met een Holl. Boot over de oceaan;
2. Vrije landreis tot aan de plaats van bestemming;
3. Land, zo vruchtbaar als maar te vinden is, voor een lage prijs;
4. Een woning inclusief;
5. Ondersteuning door verstrekking van levensmiddelen, gedurende de eerste zes maanden;
6. Landbouwgereedschap.

*  Een kavel land was ca. 20 – 25 hectare groot.

 Meer nog: dat beloofde land is gelegen in een streek waar water in overvloed is, met een gezond klimaat, vrij van inheemse ziekten, gelegen in de nabijheid van spoorweg of grote rivier, zodat men de producten snel vervoeren kan naar de grote markten.
De koopprijs van het land en de andere voorschotten kon men in tien jaar afbetalen.
Wat kan men meer verlangen als men een nieuw vaderland wil zoeken om een onafhankelijk bestaan te verwerven. Deze gelegenheid was dan ook voor mij té mooi om er geen gebruik van te maken. Jarenlang reeds wilde ik emigreren; dikwijls had ik geprobeerd naar Transvaal of naar Canada te gaan, maar mijn geldmiddelen waren echter steeds ontoereikend. Met mijn werkkring was ik ook niet meer tevreden. Wel was ik elke dag als “mijnheer” gekleed, maar mij trok het boerenleven waarin ik was opgegroeid zeer sterk, té sterk.
Na veel wikken en wegen, na het inwinnen van veel inlichtingen zowel van particulieren als van de Regering over de toestanden in Brazilië, besloten mijn broer en ik met onze gezinnen de grote stap te wagen. In de mooie Septemberdagen van 1909 maakten wij ons gereed het vaderland te verlaten en naar den vreemde te gaan. Dat waren dagen van geduchte in- en overspanning; de een raadt dit, de andere dat; de een scheldt, de ander beklaagt.
Zélf wordt men heen en weer geslingerd, vaak komen gedachten aan allerlei narigheden, maar luchtkastelen bouwt men ook.

De 29ste september namen we afscheid van familie en vrienden en scheepten ons in op de “Frisia” van de Koninkl. Holl. Lloyd. ‘s Middags om één uur werd de loopbrug ingehaald en om vijf uur waren we op ‘t ruime sop.


Een fijne motregen verdreef ons spoedig van het dek naar onderen. Hier was weer werk voor ons: alle handbagage moest worden opgeborgen en ook moest worden omgezien naar de slaapgelegenheden. Gelijk begint men het gemis van eigen haard te voelen. Van de passagiers kent men bijna niemand, de behuizing op de boot valt tegen; de slaapplaatsen zijn niet ingedeeld voor de verschillende families. Enige honderden ledikanten staan in een ruimte, twee aan twee op elkaar, met nauwe gangen ertussen. Alles is van ijzer en staal. Op elke niet te ruime slaapplaats ligt een matras en een hoofdkussen gevuld met houtwol, en een deken. Dat is je nachtverblijf, om te slapen voldoende maar ‘t is toch zeer onvrij. De eerste nacht sliep ik goed. Toen ik ontwaakte waren we reeds in Dover. Dat was voor ons zeer geweldig, zoiets moois had men in Holland nog niet gezien, meenden velen. Grote bergen, zeer wit, krijtbergen zegt men, met groene toppen, waartussen de huizen verborgen staan. Om 12 uur wordt de reis voortgezet. Het eten en drinken is goed en overvloedig. ‘s Morgens om 7 uur soep met brood; om 11 uur aardappelen, vlees, brood en wijn; ‘s namiddags thee en ‘s avonds nog eens warm eten. Het vaatwerk voor het eten en drinken bestaat uit een blik dat ieder voor zichzelf moet schoonhouden. Een grote blikken schotel van ongeveer 15 cm hoog en 35 cm in doorsnee, verdeeld in vier vakken, dient om het middageten te halen voor één groep personen die op dezelfde kaart zijn vermeld, de “bakschaft”.
Verder krijgt ieder nog een bord, lepel en een kroes en een blikken kruik voor wijn of thee. Wijn- daar is een Hollandse werkman niet aan gewend en waar veel van de passagiers de wijn niet lusten, blijft er voor de anderen des te meer, soms zoveel dat meerderen te veel kregen. Toch werd dit niet altijd opgemerkt, omdat de tweede avond zeer velen zeeziek waren en ook zonder wijn zeer onpasselijk waren. De nacht ging zonder problemen voorbij. ‘s Morgens was bijna iedereen zeeziek. Een dikke mis omhulde ons, zodat de meesten maar op hun houtwolmatras bleven liggen; dan hadden ze het minst last van de zeeziekte.
Tegen de avond klaart het weer wat op, zodat op verre afstand de lichten van de vuurtorens aan de Franse kust zichtbaar zijn.
‘s Morgens om acht uur lagen we voor La Rochelle op stroom om nog enige passagiers aan boord te nemen: om 11 uur vertrokken wij weer. Spoedig ging het belletje voor “eten halen”; ons aantal is vergroot door enige Turken en Fransen. ‘t Weer is prachtig. Allen zijn op het dek, want onder is het te druk. Men zet alles vol met slaapplaatsen. Bij het naar bed gaan, liggen we in onze hoek in rijen van vijftien personen, alle twee hoog.
‘s Morgens de eerste Zondag op zee. Onze gedachten brengen ons terug naar ‘t verlaten vaderland, waar we in de geest onze familie en vrienden zien opgaan naar ‘s Heeren huis om zich te scharen rondom de leraar. Dit missen we nu; de drukte aan boord of lezen neemt dat gemis niet weg. Tegen de middag komt de kust weer in zicht; ‘s namiddags om 5 uur kwamen we voor anker voor Coruna. Van alle zijden komen parlevinkers aanroeien, om hun verschillende waren te verkopen. Een paar honderd passagiers komen aan boord en voor de avond valt zijn we weer op zee.
‘t Weer is mooi; toch zoeken we na enige tijd onze slaapplaatsen op en dromen van een mooie toekomst. ‘s Morgens om 4 uur is er heel veel drukte aan het dek. Spoedig zullen we wel in een andere haven komen, om 6 uur ankeren we voor Vigo. Een prachtig landschap; de baai is door hoge bergen van de zee afgesloten. Gods schepping is prachtig, als men ‘t zeggen mag. De vruchten die hier te koop worden aangeboden: druiven, appels en peren zijn zo groot en zo mooi als men in Holland maar zelden ziet. Hier is het nog heerlijk zomer, al is het October. We liggen hier tot ‘s middags 4 uur, maar het oog wordt niet moe om het prachtige natuurschoon te aanschouwen.
Toen we de reis voortzetten waren enige honderden Spanjaarden aan boord gekomen.
‘t Werd spoedig mistig; de boot voer op halve kracht; de nacht ging zonder ongelukken voorbij.
Maar ‘s morgens, wát een ontwaken! Overal mensen en nog eens mensen; alles even vuil en vies door het braken en door het onmatig veel eten van uien.
Onze beste dagen schenen voorbij en men verlangde reeds naar het einde van de reis. We zijn echter nog maar aan het begin ervan, want we varen nog langs de Portugese kust.
‘s Middags om 12 uur liggen wij in Lissabon voor de wal. Ook hier worden volop vruchten te koop aangeboden. Velen slaan een goede voorraad in, want we komen niet eerder aan wal dan in Rio de Janeiro.
Het uitzicht op de stad is prachtig, afwisselend bergen en dalen; ‘t is alles natuurlijke schoonheid.
Ze schijnen hier ook aan geldgebrek te lijden, want men moet 50 cts belasting betalen wil men door de poort komen die toegang tot de stad verleent. Hierin had niemand lust, te meer omdat we weer spoedig zouden vertrekken.
Om 4 uur worden de touwen losgegooid en de reis gaat weer verder. Steeds is het mooi weer; voor ons zo warm als in Holland in Augustus.
De zee is zo kalm en stil; de boot glijdt zo rustig alsof men op een rivier vaart. Vele Spaanse families huizen dag en nacht aan dek, want onder is het eivol.
‘s Avonds lijkt het wel kermis: men speelt op gitaar, tamboerijn en harmonica en alles wat jong is danst er omheen. Dan voelt men zich niet thuis als men in een andere sfeer is opgegroeid. Men kijkt er ook wel naar, want men heeft toch niets te doen en vroeg te gaan slapen gaat in de regel niet, want op het dek is het te rumoerig en onder is het te warm.
Nu wordt er ‘s morgens een nieuwe dienst ingesteld.

Tot nu toe was alle vuil en afval onder en tussen de bedden blijven liggen; ‘t rook er dan ook verre van aangenaam. Nu echter werd elke morgen flink geboend en geschrobd en werd alles fris. Als alles droog was kwam de kapitein met enige officieren inspectie houden.

Overdag leeft alles op ‘t dek, klein en groot, en men heeft moeite een plaatsje machtig te worden om zijn ligstoel neer te zetten.
Vandaag 9 October krijgen we weer hazelnoten bij de thee. Dat is zeker om ons bezig te houden, want een paar keer in de week worden wij daarop onthaald. ‘t Is dan ook een aardig tijdverdrijf om enige honderden hazelnoten te kraken en met de doppen kattekwaad uit de voeren.
De volgende morgen was het weer Zondag, die zich van de andere dagen onderscheidde doordat we een krentenbrood ontvingen. Van godsdienst en godsdienstoefening merkt men op zo ‘n boot niets; men kent elkaar niet en iedere familie leeft voor zichzelf, vooral wat betreft het geestelijke.
Na de middag kwam er land in ‘t zicht. Dit gaf enige afleiding. Naderbij gekomen bleken het twee eilanden te zijn met hoge bergtoppen.Tegen 6 uur ‘s avonds waren we er tussendoor terwijl druk met vlaggen geseind werd.
‘s Avonds om negen uur ontstond er een relletje.
‘t Is streng verboden onder te roken; het gevaar voor brand is zeer groot. Een Spanjool lag rustig op zijnmatras te paffen en ook na herhaalde waarschuwing liet hij het roken niet. Hij moest gevangen gezet worden. Daarin had meneer ook geen lust en verzette zich hevig, gesteund door meerdere landgenoten. ‘t Werd een handgemeen en weldra vielen er klappen. Een, die met een mes dreigde, werd dit uit de hand geslagen. ‘t Tumult duurde bijna een half uur en ‘t was bijna middernacht voor we konden slapen. Die avond stierf in het hospitaal een Duitser aan vliegende tering (tuberculose); dezelfde nacht nog werd zijn lijk overboord gezet.
Hij zag er al zo zwak uit toen hij aan boord kwam en overleed, na drie dagen in ‘t hospitaal te zijn verpleegd. Hij liet een jonge weduwe met vier kleine kinderen achter. De volgende dag stierf van Hongaarse ouders een éénjarig kind.
“Gelijk het gras is ons een kortstondig leven gegeven” .
’t Weer blijft prachtig; op het dek is het warm, maar onder, waar de slaapplaatsen zijn, is het snikheet; ‘t zweet loopt met dikke druppels. We zijn daarom van vroeg in de ochtend tot zo laat mogelijk aan ‘t dek, de tijd verdrijvend met lezen, aardappelen schillen en praten, nu en dan afgeleid door het zien van vreemde vissen, o.a. van vliegende vissen, die als witte zwaluwtjes over ‘t water scheren; soms vallen ze op het dek. Een enkele maal ziet men in de verte een walvis die het water als een fontein omhoog spuit; af en toe zwemt een school grote vissen rond de boot, azende op afval van het eten. Dan ziet men weer eens een boot voorbij stomen waarmee seinen gewisseld worden. We zagen ook nog een driemastschip onder volle zeilen onze richting kruisen.
We komen nu al dichter bij de evenaar; ‘t is wat frisser geworden nadat het wat heeft geregend. Er staat een flinke bries. Op honderd meter afstand vaart een schip voorbij.
Na zestien dagen varen, na het eten, passeren wij de evenaar, welk feit Hollanders en Duitsers feestelijk vierden door elkaar eens flink te dopen. Sommigen hadden geen droge draad meer aan het lijf.
s Middags kregen we weer hazelnoten te kraken…
‘s Avonds kwamen een paar stoomschepen in ‘t zicht; om tien uur waren ze bij ons. De “Frisia” liet haar zoeklicht schijnen, daarna volgden lichtseinen.
Toen we de 15e October aan het dek kwamen was het lekker fris weer.
Volgens telegrammen zou het zusterschip “Hollandia” ons om tien uur ontmoeten. De vlag werd in top gehesen.
Na zekere tijd kwam zij in ‘t zicht. Allen waren aan ‘t dek en stonden aan weerszijden te wuiven en te juichen, te roepen en te schreeuwen, dat horen en zien verging. Daarna ging alles weer zijn gewone gang.
De volgende dag was ‘t koel en velen gingen naar de dokter.
Op zijn spreekuren ging ik er ook heen, want ik voelde pijn in mijn borst.
Ik kreeg een drankje en nam trouw in. Ik was nog nooit ziek geweest en wilde het hier niet graag worden. Het drankje scheen niet veel te helpen; de pijn werd erger. Verlangend zag ik uit naar het spreekuur. Voetje voor voetje scharrelde ik naar de spreekkamer. Velen stonden er reeds voor mij.
Wachten tot ik aan de beurt was kon ik bijna niet. Nog een poosje- ‘t zweet brak mij uit- nog even- “Dokter- help- me- ik kan-niet-meer-staan” en daar zat ik. Ik kon ook niet meer.
Behulpzame handen beurden mij op en droegen me door een dichtbij zijnde deur in het hospitaal en op bed.
De verpleger smeerde “jodium” op mijn borst en gaf mij melk; zo lag ik daar geheel alleen. De eerste dag deed de pijn mij alles vergeten. Ademen kon ik haast niet door de pijn; hoesten kon ik ook bijna niet, en toch kriebelde het steeds in mijn keel. Mijn familie bezocht mij, maar kon ook niets voor mij doen; ‘t spreken viel mij uiterst moeilijk; ‘k was dus maar het liefst alleen. Het verblijf in het hospitaal was niet aangenaam, want het dreunen van de machines was voor een zieke niet uit te houden. Twee dagen had ik zo gelegen toen de dokter mij zeide dat we de volgende dag in Rio de Janeiro zouden aankomen.
“Dan moet u proberen beter te zijn”, zegt hij, ”anders moeten we u meenemen naar Argentinië, want zieken worden niet toegelaten”.
Dat zag er niet mooi uit; ‘k was nog niet van bed af geweest.
Ik wilde, al kostte het nog zoveel inspanning, toch liever van boord dan meegenomen worden naar Buenos Aires.
De volgende dag was ik, door ‘s Heeren goedheid, zo hersteld dat ik weer lopen kon. Ik moest echter in ‘t hospitaal blijven tot in Brazilië de dokter bij mij geweest was en toestemming tot landing had gegeven.
s Morgens om 10 uur liggen we in de haven van Rio de Janeiro voor anker. Allen hadden genoten van de wonderschone invaart. Allen waren druk in de weer hun handbagage in en bij elkaar te pakken.
Ik was opgesloten. ‘t Duurde evenwel niet lang of de deur ging open en daar stond de scheepsdokter met zijn Braziliaanse ambtsgenoot. Wat ze samen bespraken kon ik niet verstaan; wel vernam ik enige keren: “pleuritis”, waardoor ik vermoedde dat ik pleuris had. De dokter deelde mij mede, dat ik aan land kon gaan met mijn familie, maar dat ik zeer voorzichtig moest zijn geen kou te vatten.
Weldra was ik bij vrouw en kinderen; al ons gepak werd bij elkaar gezocht en nu wachtten wij op de dingen die komen zouden. ‘t Was triestig weer. De motregen maakte alles nat. De papieren werden gecontroleerd. Hierna verlieten wij de “Frisia” en namen plaats in een overkapte aak die ernaast lag.
De grote bagage werd uit het ruim overgeladen in een andere aak. Dit overladen duurde drie uur. Nu bracht een kleine sleepboot ons naar ‘t Bloemeneiland: “Ilha das Flores”. Daar ontvingen we eerst een familiekaart. Gevraagd werd waarheen we wensten te reizen en daarna gingen we naar de iets hoger gelegen emigratiegebouwen. Spoedig werd ons ons verblijf aangewezen. In een aangrenzende zaal werd de middagtafel in orde gemaakt, zodat wij ons konden verkwikken met bonen, rijst, koffie en brood. Hierna moest de bagage worden gelost en ondergebracht in een grote loods. De volgende dag zou de douane haar nazien. Voor we gingen slapen kregen we eerst nog een kop thee.
De volgende morgen was het half zes dag. Om 6 uur ging de etensbel die ons riep voor koffie en brood. Daarna gingen we eens kijken of al onze spullen er waren. ‘t Bleek dat er bij de een en ander nogal wat ontbrak. Acht uur kwamen de douaneambtenaren controleren. Kisten en koffers maken we open; je kunt ze ook wel laten openmaken, maar dit is echter niet zo aan te raden. De ambtenaar kijkt er van boven in en als hij niets verdachts bespeurt, wordt de kist weer gesloten en gemerkt.
Dit alles geschiedde zeer vlug, daar geen van ons smokkelwaar had medegebracht. Thans werd alles weer in een andere loods gereden, waar het bleef staan tot de verdere reis. Elf uur luidt de bel voor het ontbijt, bestaande uit brood, macaroni, vlees, rijst en koffie.
De hoofdmaaltijd was om 4 uur ‘s middags: brood, bonen, rijst, vlees en aardappelen. Het eten is goed en overvloedig, al is de bereiding ervan een andere dan wij, Hollanders, gewend zijn.
‘s Avonds om 7 uur nog een kopje thee met een broodje. Negen uur luidt de bel voor slapen. In de nabijheid van de slaapzalen is het verboden lawaai te maken.
De volgende dag hebben wij ons eilandje, het “Bloemeneiland”, eens van alle kanten goed bekeken. Naar schatting is het ongeveer 5 ha groot. ‘t Is een natuurlijk bos; overal is het begroeid met vrucht- en sierbomen. Veel paden slingeren er zich door. Op het hoogste gedeelte staan de emigratiegebouwen.
In het grootste worden de emigranten ondergebracht. ‘t Is een lang luchtig gebouw, verdeeld in drieën. De grootste zaal is de slaapplaats voor allen; een andere de eetzaal, terwijl de derde zaal verdeeld is in kleinere kamers en kamertjes, ten behoeve van families die door ziekte anderszins afgezonderd moeten worden.
De slaapplaatsen zijn ongeveer zoals op de boot: sterke ijzeren ledikanten met spiraaldraad, overdekt met een dikke mat. Voor dekens moet men zelf zorgen. Een 25-tal staan naast elkaar, zes rijen breed en twee hoog. In de eetzaal staan ongeveer 50 tafels met marmeren bladen. Aan iedere tafel kunnen tien personen plaatsnemen. ‘t Eten en drinken wordt door koks opgediend en dit is in een ommezientje afgelopen.
Aan weerszijden in het gebouw zijn een 30-tal dubbele openslaande deuren aangebracht; de muren zijn met witte, de vloeren met gekleurde tegels belegd.
Aan de beide langszijden is een circa twee meter brede veranda met een ijzeren leuning; om de vier meter staat een standaard met verglaasde spuwbakken. In de nabijheid van het gebouw staan verder de onontbeerlijke inrichtingen, wasplaatsen, urinoirs en privaten; alles voorzien van waterleiding en enige gelegenheden voor het nemen van een douche. Verder staan er nog een directeurs- en een dokterswoning, een telegraafgebouw en enige arbeidershuisjes. Verschillende gebouwen zijn nog niet gereed, wel dat voor de waterleiding. Een paar stoomboten onderhouden het verkeer tussen het eiland en de stad, tweemaal per dag.
Rio de Janeiro behoeft voor grote Europese steden niet onder te doen. ’t Is een reuzestad met prachtige gebouwen, straten en pleinen. Eerst doet het vreemd aan, want de winkels hebben niet zoals in Holland etalagekasten met grote spiegelruiten. Wel echter de banken en de goud-en zilverwinkels.
Wisselkantoren komt men er overal tegen; ‘t papiergeld hangt in rissen voor de ramen en de stapeltjes gouden munten staan als soldaten in de rij. Men ziet vele grote zaken met allerlei machinerieën; ook is er een grote markt. ‘t Is een reusachtige hal, verdeeld in afdelingen. De kooplieden hebben hun waren uitgestald in de door hen gehuurde ruimte. Van alles kan men er kopen. Manufacturen en huishoudelijke artikelen, eenden, kippen, kalkoenen en siervogels, apen, honden, papegaaien, jonge varkens en geiten, groenten en fruit, enz.
De stad is zeer mooi gelegen aan een baai die, omringd door hoge bergen, gemakkelijk tegen vijanden te verdedigen is.
Zeeschepen van vele nationaliteiten liggen op stroom, of laden en lossen aan de uitgestrekte kaden.
Een grote veerpont, waarop een achttal wagons beladen met koffie en mais kunnen worden overgezet, vaart voortdurend van de ene oever van de baai naar de andere. Toen we onze zaken hadden afgehandeld, keerden we naar het Bloemeneiland terug. Vanuit ons bootje zagen we op die overtocht minstens vijftig haaien, in kleine groepen zwemmende.
‘t Was alweer Zaterdagavond.
De Zondag brachten wij in gezelschap van enige geloofsgenoten in stilte door. Tegen de avond werd de temperatuur zeer opgefrist door een donderbuitje. ‘t Was nog October, voor ons al erg warm, hoewel het in December en Januari nog warmer is.
Maandag ging snel voorbij met wassen en drogen.

‘s Avonds bij de thee werd ons medegedeeld dat we de volgende morgen onze bagage moesten laden, want de reis zou met een kustboot worden voortgezet.

Hier scheidden zich de wegen van de diverse families. Afhankelijk van de kolonie waar men voor gekozen had. Leendert Verschoor reisde met een kleinere boot door naar Santos en daarna verder naar Irata en de eindbestemming, de kolonie Gonçalves Junior. Mijn opa had voor een andere kolonie gekozen en reisde vanuit Rio de Janeiro door naar de João Pinheiro in de staat Minas Gerais.
schermopname-41De volledig kaart staat in: Nederlandse groepsmigratie naar Brazilië 1822-1992, L.A.H.C. Hulsman, pagina 17.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s